Sorry, this page is not translated yet
for this moment only in Dutch but you can look at the photo's.

Een ras van vallen en weer opstaan, keer op keer.

" Als dhr. Essig 100 jaar later zou zijn geboren was de Leonberger als rashond nooit ontstaan! "

 
Essig
Eine Hundezucht in Leonberg, Illustrirte Zeitung 1865


Elk hedendaags “ras” heeft zijn geschiedenis, zo ook onze Leonbergse Hond. Het bekende “scheppingsverhaal” van Dhr. Heinrich Essig (1809-1889) die de eerste “Leonbergers” in 1846 fokte door het kruisen van verschillende reeds bestaande rassen is de officiële Duitse versie.


Marie und ihre Lieblinge

In o.a. Frankrijk wordt dit sterk betwijfeld door o.a. Dr. Lettelier en Dr. Luquet. Hier gaat men er op grond van literatuur en overlevering vanuit dat er al veel eerder grote leeuwachtige honden met een lange vacht bestonden, o.a. rond 1625 in Oostenrijk aan het hof van de prinses von Metternich. Later wordt de Leonberger (Löwenberger) genoemd in verband met het plaatsje Wolfsberg in het zuid-oosten van Oostenrijk waar de familie von Metternich bezittingen had, evenals in Bohemen waar het plaatsje “Lowenberg” ligt dat inmiddels de Poolse naam Lwowek Slaski heeft gekregen. Volgens een oud Duits artikel “exporteerde” Dhr. Essig rond 1860 o.a. naar Bohemen.
Geschiedenis is iets merkwaardigs: als je er middenin zit zie niet of nauwelijks wat er gebeurd en wat de consequenties van gebeurtenissen zouden kunnen zijn. Achteraf is dat veel makkelijker , kun je overzien wat er gebeurd is en verbanden, oorzaken en gevolg benoemen.

Essig portret
Portret Hr. Essig

Zo ook bij het fokken van Leonbergers. Als we de afgelopen 160 jaar naar de ontwikkeling van de Leonberger als ras kijken zijn er een aantal bijna catastrofale gebeurtenissen te noemen waarbij het ras bijna ten gronde ging en elke keer net op het nippertje door een paar mensen gered kon worden. Dat zijn o.a de dood van Essig want daarmee stopte de fokkerij en stonden de critici klaar om het ras de grond in te boren als zijnde een kruising waar veel geld mee werd verdiend maar de honden eigenlijk voor geen enkel doel waren gefokt behalve om mooi en lief te zijn.

no-1-Leonberger stamboek
De eerste 3 ingeschreven Leonbergers in het stamboek. No 2 en 3 zijn kinderen van Leo, ingeschreven als no 4.

Dan de eerste Wereldoorlog waarna er met moeite nog een vijftal fokdieren gevonden konden worden waarmee het ras weer op de poten werd gezet. Het kan niet anders dat hiervoor heel veel andersoortige honden werden ingekruist die wellicht qua bouw, grootte en vacht op de Leonberger leken maar het niet waren.

Hoe verklaard men anders het succesverhaal dat er binnen vijf jaar weer een populatie van rond de 350 dieren bestond. Voor de echt geïnteresseerde speurder naar het verleden verwijs ik graag naar het boek van Metha Stramer “De hond van Leonberg” hoofdstuk 4.
Na een moeilijke periode kwam toen de tweede Wereldoorlog en weer werd het ras bijna geëlimineerd.
Ook nu waren er weer een aantal echte liefhebbers die hun honden de oorlog door gesleept hebben en daarna de draad weer opgepakt hebben, hoe moeilijk dat ook was De weinige honden die nog leefden na alle verschrikkingen werden opgespoord en zo goed en zo kwaad als dat ging werden die weer met elkaar gekruist. Wat moeten we hier blij mee zijn.
Maar over deze mensen hoor je tegenwoordig nooit meer iets en over hoe ze het deden nog minder. Met name Baronin v. Brockdorf had het geluk dat ze op haar Hof Waldfrieden bij Hannover haar honden de lange oorlog door kon voeren en voorkomen dat ze door het leger werden gevorderd. Zij was dan ook een van de eersten die in 1945 al weer een aantal nesten kon fokken hoewel toen het einde van de oorlog nog lang niet in zicht was.
4-11-Leonberger stamboek
No 4 t/m 11 in het eerste stamboek. Leo (4) is de vader van 2 en 3
Let op de data van de verschillende nesten van Frika, 16-5, 27-8 en 10-12 1921!

Voorwoord Stamboek 1955
Voorwoord Stamboek 1955.

Als illustratie van wat de basis is van onze huidige Leonberger hierbij een overzicht van de fokkerijk in de eerste 10 jaar na de oorlog. Belangrijk is ook het voorwoord van Albert Kienzle die de gegevens hiervoor bij elkaar sprokkelde en soms een flink aantal stamboeknummers openliet om eventueel later nog honden die gevonden werden op te kunnen nemen. Zijn stamboek begint bij nr. 1244, later blijkt er nog een nest te zijn geweest in 1943, dus midden in de oorlog, maar die kregen de nrs. 1316 -1320. Ook zien we bijv. nr. 1450 Asta, gekocht van een vluchteling uit het oosten, geboortedatum en stamboom niet bekend. Met deze teef zou in de nabije toekomst zeer veel gefokt worden onder de kennelnaam Von Tachenhausen. De oplettende lezer die dit stamboek goed bestudeerd zal meteen opmerken dat er zeer veel gefokt werd met sterk aan elkaar verwante fokdieren: vader- dochter, halfbroer- halfzus, grootvader-kleindochter, enz. Alle honden waren dus sterk aan elkaar verwant. Bovendien werden teven twee maal per jaar gedekt, was er uitermate veel puppysterfte en ook werden honden tot op hoge leeftijd in de fokkerij gehouden.
Omdat heel veel mensen die een pup kochten ook gingen fokken onder een eigen kennelnaam leek het alsof er veel verschillende lijnen en families waren maar helaas was dat niet zo.

Er werd niet naar het buitenland gekeken om eventueel te gaan dekken of te importeren. De fokbasis was en bleef uitermate smal! Het zou interessant zijn om een op dit moment populaire dekreu te herleiden naar deze generaties……….. Ongeveer 15 jaar na de oorlog ging het langzamerhand beter met het ras. De omstandigheden voor de honden verbeterden sterk door o.a. betere voeding, betere veterinaire zorg en ook de optimistische vooruitzichten voor veel mensen qua inkomen en toekomstbeeld zorgden ervoor dat steeds meer mensen zich een grote hond konden en wilden permitteren.

Stamboek duitse club 1945.


Stamboek duitse club 1945-vervolg.

Er kwamen ook meer fokkers, niet alleen in Duitsland maar ook in Oostenrijk, Frankrijk en Nederland. Het kon niet uitblijven, naar het voorbeeld van de (meerdere malen) opgerichte Duitse Rasvereniging ontstonden ook in Frankrijk en Nederland in het begin van de 60 jaren clubs die zich met het ras bezig gingen houden. Steeds werden die gedragen door een klein aantal fokkers die in eerste instantie hun stempel op de fokkerij drukten.

Elke en Elfe von Roszbach 1964.


Stamboek opname Elke en Elfe von Roszbach 1961.

In Frankrijk was dat Mll. Bouniol, haar kennel Du Chateau de Reveillon werd op basis van o.a. Oostenrijkse honden opgezet. In Nederland waren het Jose van de Pas en Metha Stramer die in 1961 de zusjes Elka (DLZB 2398) en Elfe (DLZB 2400) von Rossbach importeerden. Wat weinigen weten (maar achteraf toch een geluk bleek te zijn) stamden deze honden via de moeder Dorle von Rossbach (7) en de grootmoeder Alma (1) af van een bruine Newfoundlander. De Nederlandse fok was daarmee per toeval gebaseerd op een vrij grote genepool.

Het ontstaan van rasverenigingen………. het begin van het einde?


Rasverenigingen waren absoluut niet nieuw, de eersten ontstonden bij “oude” rassen al in de tweede helft van de negentiende eeuw. Uiteraard gevolgd door overkoepelende organisaties. Structureren is de mens tenslotte eigen. Het oprichten van een rasvereniging is het logische gevolg als er van een bepaald ras al flink wat exemplaren zijn en de eigenaren samen allerlei dingen rondom hun geliefde hond willen doen. Niets op tegen, zou je zeggen. Eigenlijk niet, behalve dat er in zo’n club altijd weer mensen zijn die, om wat voor reden dan ook, menen dat ze “het” beter weten dan de rest. Dat zijn de mensen die in het bestuur willen en, de naam zegt het al: willen besturen. Op zich ook nog niet zoveel op tegen als het gaat om het organiseren van interessante activiteiten, van Clubmatches, enz. Allemaal leuk, leerzaam, gezellig en nuttig. Maar waar gaat het dan mis?
Er zijn binnen elke club altijd individuen die elkaar niet kunnen uitstaan, die niet samen kunnen of willen werken, elkaars honden afkraken, leden in kampen willen verdelen, enz. enz., meestal zijn dat fokkers. Vervelend maar niet dramatisch op de lange duur: de geschiedenis leert dat één van de partijen zich uiteindelijk terugtrekt en de andere partij het even voor het zeggen heeft. Tot het volgende dispuut zich aandient en deze partij ook weer een andere hobby zoekt. Je kunt het zien als een soort varkenscyclus: net als alles goed gaat komt er weer “storm” en weer ontstaat er een nieuw bestuur dat vol goede moed aan de slag gaat…….totdat, enz.
Zoals gezegd, vervelend maar voorspelbaar. Helaas verliest ons ras elke keer als zich dit voordoet een aantal oprechte liefhebbers die overgaan naar een ander ras of zich gewoon uit de vereniging terugtrekken en genieten van hun lieve hond. Zo gaat het ook met fokkers. Sommigen waren echte pioniers, fokten jarenlang naar eer en geweten uitermate goede, gezonde Leonbergers totdat iemand bedacht dat dit maar eens over moest zijn en net zolang konkelde en stookte totdat het de betreffende fokker te veel werd en stopte met fokken of zoals ook wel is gebeurd, om onduidelijke redenen uit de club werd verwijderd. Een voorbeeld uit het verleden hiervan is bijv. Ida Muller die onder de kennelnaam von Mullertal jarenlang uitermate goede Leonbergers fokte. Velen begonnen in o.a. Denemarken en Frankrijk met honden uit haar kennel. Met haar ging niet alleen een roemrijke kennel ten onder maar ook helaas heel veel kennis over het ras verloren.
Zo gingen er zo velen …….en zullen er nog velen gaan en met hen een stuk geschiedenis, kennis en kunde. Dat komt het ras zeker niet ten goede, integendeel.
Het ontstaan van rasverenigingen, een enkele uitgezonderd, had nog een heel ander effect dat uiteindelijk wellicht funest is voor de rashondenfokkerij en dus ook voor ons ras: men wilde bijna overal alleen nog maar fokken met “raszuivere” honden en sloot de stamboeken. Men zou het de waan van de tijd kunnen noemen want men hield en houdt elkaar voor de gek. Als we terugkijken naar de verschillende theorieën over de ontstaansgeschiedenis, het stamboek van net na de oorlog en bedenken dat we in o.a. Nederland met de achterkleindochters van een bruine Newfoundlander zijn begonnen zal duidelijk zijn dat er geen raszuivere Leonbergers bestaan.
We hebben nu honden van wie de stamboom vele generaties terug te zoeken is maar uiteindelijk komt er toch ergens een hond van een ander of geen ras tevoorschijn. In het begin ging alles nog redelijk goed want in elk fokdier was wel ergens een aandeel “vreemd” bloed te vinden. In de afgelopen 50 jaar reisden fokkers naar andere delen van het land of naar het buitenland om hun teven te laten dekken. Daarnaast werden fokdieren en pups over en weer in heel Europa verkocht. Maar de genepool wordt eerst langzaam en daarna steeds sneller kleiner. Bij elke paring verliezen we 50% van het erfelijk materiaal dus hoe meer gefokt wordt hoe sneller dit gaat. In het begin lijkt de fokbasis nog breed en de genepool groot genoeg maar als bijv. uit 1 nest vier verschillende honden twee keer worden gebruikt voor de fokkerij ontstaan er wel (gemiddeld) 65 nieuwe honden maar de genepool van deze honden is veel kleiner dan die van de oorspronkelijke vier.
Ook al hebben ze grotendeels een andere kennelnaam en wonen ze niet in dezelfde streek en lijken voor de leek helemaal geen familie. Als van deze 65 honden er 10 gebruikt worden voor de fokkerij……….Kijk naar de stamboom van Uw hond en vul zelf maar in. Over de totale populatie gezien zijn we, ondanks de ogenschijnlijk enorme aantallen honden met verschillende kennelnamen, samen op weg naar het topje van de ijsberg en de weg wordt steeds smaller: wie het eerst boven is heeft verloren! Nog een ander effect van het ontstaan van rasverenigingen was dat overal al snel spelregels voor de fokkerij werden opgesteld. Prima, tenslotte is er een standaard (no. 145) waarin precies staat hoe een Leonberger eruit hoort te zien. De eerste werd opgesteld in 1895 door de toenmalige Duitse Rasvereniging. Omdat Duitsland officieel het stamland is van het ras is de Duitse Club de enige die de standaard mag wijzigen. Je zou zeggen: waarom zou je dat doen, die standaard is toch niet voor niets gemaakt? Tja, de tijden veranderen, de honden ook kennelijk. De Duitse club heeft daarna een aantal malen de standaard “aangepast”……. Voortschrijdend inzicht of was het rasbeeld zo veranderd dat de bestaande honden niet meer in de standaard pasten?
Arno von Schloss Bronnen en Elly von Murrtal
met keurmeester
Robert Beutelspacher, 1968.

Dr. Luquet heeft hier een zeer interessante theorie over. Over het effect zou je je kunnen verwonderen als je ziet hoe verschillend in type, grootte, kleur, enz. de honden op bijv. een clubmatch of een tentoonstelling zijn. En dat terwijl ze toch allemaal naar dezelfde standaard gefokt zijn. Goed, terug naar de fokreglementen. Er zijn landen waar een “code of ethics” als richtlijn wordt aanbevolen. Er zijn ook landen waar de fokkerij zo tot in de details is geregeld dat je je afvraagt hoe het mogelijk is dat fokkers op die manier nog kunnen en willen fokken. Het kan kennelijk want ook hier worden jaarlijks zo’n 500 pups geboren. Resumerend: In de 160 jaar dat er honden zijn die Leonbergers worden genoemd, ongeacht via welke fokregels ze zijn gefokt is er, ondanks de bijna fatale oorlogen, langzaamaan een “ras” ontstaan dat volgens elkaar opvolgende standaards wordt gefokt. De honden zijn herkenbaar aan hun specifieke kenmerken zoals grootte,bouw, kleur, masker en karakter. Er zijn inmiddels in vele landen op de verschillende continenten rasverenigingen. Het stamboek is gesloten. De fokkers draaien in kringetjes rond en proberen het ras in al zijn kenmerken te behouden, verbeteren zal niet gaan: waar afgaat en niet bijkomt wordt het minder. Van de geschiedenis kun je veel leren. In onze tijd, waar bijna iedereen gebruik kan maken van de enorme hoeveelheid informatie op internet over ons ras, maar ook over nieuwe inzichten in genetica, voortgang en problemen bij andere rassen, enz. enz. moet het mogelijk zijn te bewaren wat we nog hebben en al onze energie en kennis inzetten om een Leonberger te blijven fokken die tot op hoge leeftijd gezond is, die niet alleen een mooie grote hond is om te zien maar ook blijft wat hem zo aantrekkelijk maakt voor degene die ermee moet leven: een fantastische vriend voor ons mensen. Wij mensen die ervoor verantwoordelijk zijn dat het ras blijft wat het is.
Robert Beutelspacher, een echte kenner van het ras en een man die zijn verantwoordelijkheid als voorzitter van de Duitse moedervereniging zeer serieus nam schreef in zijn voorwoord bij het 3e internationale stamboek in 1980 het volgende:

Voorwoord Robert Beutelspacher 3e Europäische Zuchtbuch 1980


Hoe waar is dit, ook nu nog, meer dan 30 jaar later. Zodra er geen integere kundige fokkers meer zijn die zich voor het ras inzetten is het ras heel snel verdwenen.

Bestuurders besturen, fokkers fokken, zij komen en gaan. Zou onze Leonberger nog blijven bestaan?